Bronnenonderzoek

Het bronnenonderzoek is een gedetailleerd onderzoek naar de concentraties en herkomst van de verschillende fijn stof bronnen in de IJmond. Daarnaast is het verschil onderzocht tussen de gemeten en berekende fijn stof concentraties. Dit onderzoek is één van de vier onderzoeken die zijn ingesteld n.a.v. het RIVM-rapport ‘Wonen in de IJmond ongezond? Het onderzoek is uitgevoerd onder regie van de provincie Noord-Holland en in samenwerking met het ministerie van I&M en de Milieudienst IJmond (de milieudienst is ook medefinancier). De milieudienst Rijnmond (DCMR) heeft met ondersteuning van TNO het onderzoek uitgevoerd.

Onderzocht is:

  • Het RIVM-onderzoek constateerde een verschil tussen de in de IJmond gemeten waarde en de door het Rijk berekende waarde aan fijn stof concentratie in de IJmond. In dit onderzoek zijn deze verschillen nader bekeken.
  • Welke bronnen veroorzaken de bijdrage aan de fijn stof concentratie op leefniveau?
  • Wat het effect was van eerder genomen en/of voorgeschreven maatregelen om de hoeveelheid fijn stof in de IJmond te verminderen?

Het onderzoek is in twee fases opgebouwd;
Fase 1:

  • Inzicht krijgen in het verschil tussen gemeten concentraties en (o.b.v. Rijksmodel) berekende concentraties.
  • Van welke bronnen is fijn stof afkomstig?

Fase 2:

  • Welke bronnen op het Tata terrein leveren de grootste bijdrage aan de hoeveelheid fijn stof?
  • Wat is het effect van eerder genomen en/of voorgeschreven maatregelen?

De belangrijkste conclusies:

Fase 1

  • Vanuit het onderzoek is een nieuw gedetailleerd bestand opgebouwd met data over fijn stofbronnen in de IJmond. Voortaan worden op basis van deze gegevens de concentraties vastgesteld, waardoor het verschil tussen de gemeten en berekende concentraties fijn stof is verdwenen.
  • Tata is qua uitstoot (emissie) de grootste lokale bron van fijn stof: 88%. Andere lokale bronnen zijn industrie/energie, verkeer, scheepvaart, landbouw, HDO, bouw en consumenten. Belangrijke kanttekening hierbij is het verschil tussen de emissie en de concentratie op leefniveau. Bij de emissie vanuit hoge schoorstenen vindt meer verdunning plaats, waardoor de bijdrage op leefniveau lager is dan vanuit lage bronnen
  • In het onderzoek is gebruik gemaakt van hoge resolutieberekeningen, wat inhoudt dat er per 100x100 meter is berekend wat de concentratie fijn stof is. Via deze berekeningen kan de conclusie getrokken worden dat de concentratie(gradiënt) fijn stof van Tata op het eigen terrein het hoogst is en op korte afstand van het terrein de snel lager wordt.

Fase 2

  • Van de bronnen van Tata wordt de grootste bijdrage aan fijn stofconcentratie geleverd door de oppervlaktebronnen zoals de ertsenopslag, mengvelden en de wegen op het Tata-terrein.
  • De maatregel met het grootste effect is de sluiting van de opslag Noord West. Het doekfilter op de rookgasreiniging van de sintermachines volgt daarna. De elektrofilter op Ketel 41 en het doekfilter voor de ruimteontstoffing bij de sinterfabriek zorgen niet voor een zichtbare afname van de concentratie fijn stof bij de meetpunten.
  • Uit deze fase van het onderzoek blijkt dat het mogelijk is om de bijdrage fijn stof van een specifieke bron te bepalen. Deze mogelijkheid is nuttig om te bezien welke eventuele toekomstige maatregelen op het Tata-terrein effectief kunnen zijn in de verbetering van de luchtkwaliteit. In overleg met de samenwerkingspartners zal dit verder worden onderzocht in fase 3 van het onderzoek. Tot die tijd blijven we de emissie van fijn stof monitoren: via metingen, controles en handhaving van de vergunningen, maar ook op immissies (concentraties op leefniveau) via het meetnet in de IJmond van PNH.